INSTALLATIE
GEGEVENS
(Sommige vermelde installatie
gegevens kunnen buiten beschouwing worden gelaten voor truck- en
tractorpulling, zoals bijvoorbeeld de punten betreffende in- en uitlaatsysteem)
Het luchtfilter moet geschikt zijn om deeltjes groter dan 5 μm tegen te houden bij een effectiviteit van
95 % en ook voldoende capaciteit te hebben voor de luchtbehoefte van de motor.
Aanbevolen wordt filters te gebruiken met een druk indicator. Inlaatsystemen
naar de turbo moeten onderdrukken tot 0.07 bar kunnen weerstaan.
Slang- en slangklem verbindingen naar het inlaat spruitstuk moeten
geschikt zijn om de druk van de turbo te weerstaan. Bij turbodrukken boven 3
bar wordt het gebruik van v-klem verbindingen aangeraden.
Uitlaat systemen moeten uitlaat tegendrukken aankunnen van 0.1 bar. Deze
limiet kan worden verhoogd tot 0.14 bar indien een katalysator gemonteerd is.
Uitlaatrem systemen moeten uitlaatgas tegendrukken aankunnen van 4.5 bar.
Olie dient gefilterd te worden tot 10 μm met een effectiviteit van 60 % en 20 μm bij een effectiviteit van 85 %.
Effectiviteit volgens ISO standaard 4572/SAE J 1858.
De oliekwaliteit dient te zijn als voorgeschreven door de motorfabrikant
en minimaal van de specificatie API SE – CD (MIL - L - 2104C), in het bijzonder
voor industrie toepassingen welke verlengde verversingstermijnen toepassen.
Normale olietemperatuur is 95+/-5°C. Deze zal onder geen enkel gebruik
de waarde van 120°C mogen overschrijden.
Alle voorsmeer olie dient schoon te zijn en bij voorkeur van dezelfde
specificatie als gebruikt voor de motor.
De positie van turbinehuis, lagerhuis en compressorhuis kunnen naar
gelang de toepassing op stand worden gebracht, door deze ten opzichte van
elkaar te verdraaien en degelijk vast te zetten. De stand van de olieleidingen
moet bij voorkeur niet verder afwijken dan +/- 10 graden van de verticale lijn.
De stand van de rotor-as bij voorkeur niet meer dan +/- 5 graden van de
horizontale lijn.
Olieretour leidingen mogen niet minder dan 30 graden aflopend ten
opzichte van horizontaal worden gemonteerd, elke ophoping van olie in de
retourleiding zal lekkages veroorzaken.
De olieretour flens, -pijp en eventuele verbindingen dienen een minimale
binnendiameter te hebben van 19 mm. Om er zorg voor te dragen, dat de olie
onder alle omstandigheden vrij retour kan vloeien naar de motor, dient deze
leiding volkomen ononderbroken te zijn en dient ook minimaal 50 mm boven het
maximale olieniveau van de carterpan te worden gemonteerd. Carterdrukken dienen
niet hoger te zijn dan 0.01 bar, waar 0.02 bar nog acceptabel is.
Een oliedruk van 1.5 bar dient binnen 3-4 seconden na het starten van de
motor de olie inlaat van de turbo te bereiken, om lagerschade van de turbo te
voorkomen. Een flexibele leiding wordt aanbevolen. Minimum inlaatdiameter is 6
mm, ook van de eventuele nippels! Minimale oliedruk onder belasting dient 2.1
bar te zijn. De normaal maximum toegestane oliedruk is 4 bar, alhoewel 6 bar
tijdens koude starts toegestaan is. Bij stationaire toerentallen zal de
oliedruk minimaal 0.7 bar dienen te zijn.
Aanbevolen doorstroomsnelheid is 3 liter/minuut stationair en 3.5-4.5 liter/minuut
bij volle belasting.
Gebruik NOOIT vloeibaar pakking materiaal of schroefdraad tape!
Enig overtollig of loslatend materiaal kan in de oliekanalen van de
turbo, met name van het axiaallager terecht komen met het risico deze te
verstoppen. Het gevolg kan totale turboschade zijn.
Voor eventuele watergekoelde lagerhuizen/turbinehuizen gelden doorstromings
normen van 3 liter/minuut bij stationaire toerentallen en 10-14 liter/minuut
bij volle belasting.